Een ambtseed is een eed die iemand aflegt die een openbaar ambt gaat bekleden. In de tekst van de eed wordt vaak gerefereerd aan trouw aan de grondwet en/of het staatshoofd van een land.
In België wordt de ambtseed nog afgelegd overeenkomstig de formule die vastgelegd werd op 19 juli 1831, en die luidt:
- Ik zweer getrouwheid aan de Grondwet, gehoorzaamheid aan de Koning en de wetten van het Belgische volk.
Volgens de Grondwet is het inderdaad de Koning die de ambtenaren van het 'algemeen bestuur' benoemt, wat dus wil zeggen de ambtenaren die zich bevinden in het hoogste niveau van de federale overheidsdiensten.
Deze eed is echter niet meer aangepast aan de federale staatsordening in België. Ook de ambtenaren van de deelstaten, dit wil zeggen van de Gemeenschappen en Gewesten, leggen nog deze eed af, alhoewel er geen band meer bestaat tussen deze ambtenaren en de Koning. Zij worden immers niet meer benoemd door de Koning.
In Nederland wordt de ambtseed nog afgelegd volgens artikel 32 van de Nederlandse grondwet. zo spoedig als mogelijk worden verklaard nadat de Koning of de Koningin de eed heeft afgelegd in een openbare verenigde vergadering van de Staten-Generaal in de hoofdstad Amsterdam , is als volgt:
- Ik zweer (beloof) aan de volkeren van het Koninkrijk dat Ik het Statuut voor het Koninkrijk en de Grondwet steeds zal onderhouden en handhaven.
- Ik zweer (beloof) dat Ik de onafhankelijkheid en het grondgebied van het Koninkrijk met al Mijn vermogen zal verdedigen en bewaren; dat Ik de vrijheid en de rechten van alle Nederlanders en alle ingezetenen zal beschermen, en tot instandhouding en bevordering van de welvaart alle middelen zal aanwenden welke de wetten Mij ter beschikking stellen, zoals een goed en getrouw Koning schuldig is te doen.
- Zo waarlijk helpe Mij God almachtig!
- (Dat beloof Ik!)[1]
bewerk Bronnen, noten en/of referenties
| Bronnen, noten en/of referenties: |
|
|
|